Spelregels

DE GRENS VAN ‘GESPEELD’

Regelmatig wordt er gevraagd of een kaart nu wel of niet is gepeeld. Aan de hand van een aantal voorbeelden geven wij hier uitleg van de spelregels.

Spel 1:
U speelt een contract tegen en uw partner is aan slag. Hij pakt een kaart uit zijn waaier en houdt die zó vast dat u niet, maar
de leider wél de beeldzijde kan zien. Als uw partner aanstalten maakt om toch een andere kaart te spelen, zegt de leider:
“Ik kon al zien welke kaart je in de hand had, die moet je nu ook spelen.”

Spel 2:
De leider denkt lang na voordat hij een kaart uit zijn waaier plukt. Eindelijk pakt hij er een en houdt die – terwijl hij nog stevig nadenkt – hoog in de lucht, maar zó, dat u en uw partner duidelijk kunnen zien dat het klaveracht is. Op het moment dat hij die kaart wil terugsteken, haalt u uw gram met:
“Die klaveracht is gespeeld en mag niet terug.”

“DE JUISTE GRENZEN”
*Als een tegenspeler de beeldzijde kan zien van de kaart die zijn partner aanvankelijk wilde spelen, is dat informatie die het tegenspel gunstig kan beïnvloeden. Met reacties als:
“Maar ik keek niet; Ik nieste net met mijn ogen dicht”, kan de arbiter helemaal niets. Bepalend is of de partner van de tegenspeler de beeldzijde had kunnen zien. Dat de leider de beeldzijde kon zien, maakt niet uit.
* Voor de zichtbare kaart van de leider ligt dat anders. Het laten zien van een kaart zal niet gemakkelijk in zijn voordeel uitpakken, dus is het logisch dat voor de grens van “gespeeld” verschillende criteria gelden.

Met deze grenzen kijken we kritisch naar de twee geschetste situaties.

Ad. spel 1:
Allereerst bepaald niet de leider, maar de arbiter of een kaart wel of niet terug mag! En als deze vaststelt, eventueel nadat hij de beweging van uw partner laat herhalen, dat u de beeldzijde onmogelijk had kunnen zien, zal hij die kaart als niet gespeeld beschouwen. Maar……
desondanks mag u geen gebruik maken van de wetenschap dat uw partner kennelijk een belangrijk alternatief had, waarbij de arbiter elke twijfel in uw nadeel zal uitleggen.

Ad. spel 2:
en regelmatige bron van irritatie en verwarring. De kaart van de leider mag niet meer terug als deze met de zichtbare beeldzijde en de bedoeling om die kaart te spelen, de tafel raakt of nagenoeg raakt. Een kaart die uit de waaier van de leider valt, is dus niet daardoor automatisch gespeeld. Het is ook nu alleen aan de arbiter om het oordeel over wel of niet gespeeld uit te spreken.
En dat is maar goed ook, want in de praktijk blijkt dat de grens “nagenoeg” niet echt weldadige duidelijkheid verschaft. We voegen daar dan ook graag aan toe dat als de leider zijn gespeelde kaarten standaard op wat grotere hoogte van het tafelblad toont, wij de afstand van nagenoeg navenant verruimen. De arbiter zal dit dus per geval moeten beoordelen.


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *